We’re all gonna die, part ##: Hoe staat het met de economie?

Ja, die uitzichtloze patiënt met wie het in mijn hele leven nog nooit goed is gegaan, behalve in tijden die achteraf een ‘bubble’ bleken te wezen, hoe gaat het daarmee? Om mijn eerdere punt, van de abstractie die de economie is, waarover we altijd worden voorgelogen, vooral door zich econoom noemende geldwichelaars die meestal betaald worden door instituten wiens belangen zij geheel onafhankelijk helemaal niet vertegenwoordigen; om mijn punt dus toe te lichten: ik weet uit mijn hoofd dat ik sinds mijn geboorte in 1964 een onafzienbare golf van economische catastrofes heb meegemaakt. In 1973 de eerste oliecrisis, in 1978 de tweede. In de jaren tachtig stagflatie en uitzichtloze werkloosheid, waar ik toen al enorm van genoten heb. In de jaren negentig economische groei, toen toegeschreven aan het poldermodel, globalisering en neoliberale vooruitgang, in werkelijkheid bestaande uit de uitverkoop van nationale eigendommen, kunstmatige opwaardering van de huizenprijzen gekoppeld aan gemakkelijke hypotheekverstrekking, de internetbubbel, outsourcing van produktie naar lage lonenlanden en stijging van de produktiviteit door informatietechnologie. Afgezien van dat laatste, overigens een marginale bijdrage, zie je onmiddellijk dat het in alle gevallen gaat om tijdelijke opwaarderingen waarvoor je later genadeloos de rekening gepresenteerd krijgt.

Dat gebeurde in 2008. Niemand had het zien aankomen, behalve een paar gekken die geen belangen vertegenwoordigden en daarom niet serieus genomen hoefden te worden. Mensen die geen belangen vertegenwoordigen zijn irrelevant; als ze iets betekenden, zouden ze wel belangen vertegenwoordigen, nietwaar. Ik bedoel, we weten allemaal waar het geld zit. Bij de belangen, precies. En die geven het enkel uit aan relevante personen. Waarom zouden ze het uitgeven aan irrelevante personen, of, nog erger, aan personen die hun belangen niet vertegenwoordigen, of, het ergst van allemaal, die tegen hun belangen ingaan!

Als het bovenstaande praatje nu allesomvattend zou zijn, waren we snel klaar. Het moet wel buitengewoon droevig gesteld zijn met de economie. Immers: er zijn geen nationale eigendommen meer te verkopen, want alles is al weg. Ja, je kunt nog wel van alles privatiseren, zoals de gezondheidszorg, het onderwijs, waterstaat, wegenbeheer; je kunt zo goed als alles privatiseren en randfiguren zoals libertariërs en andere fundamentalisten van de vrije markt beweren ook dat dat een heel goed idee is en je kunt nooit weten, maar ten eerste is de kans niet zo heel groot in een democratie, ten tweede levert het gewoon niet zo veel meer op. De goeie tijden waren die van de uitverkoop van de NS, de UMTS-frequenties, de electriciteitsnetwerken, dat soort werk. Minister Zalm produceerde er ooit stralend een overschot op de begroting mee, ik geloof bij de laatste begroting van Paars I. Als je de uitverkoop van nationale eigendommen er af trok hield je nog een niet misselijk en smadelijk tekort over, maar daar hoorde je niemand over. Een zonderling van de SP misschien, maar zelfs dat staat me niet bij.

De huizenprijzen, jarenlang dramatisch te hoog, zijn inmiddels enigszins aangepast, maar nog steeds niet op een aanvaardbaar niveau. In Nederland is het effect van de huizenbubbel een beetje gedempt, doordat we nu eenmaal meer mensen dan huizen hebben. De vraag blijft daardoor hoog. Daarbij beïnvloedt de politiek de markt door enerzijds de koopsubsidie op een absurd niveau te handhaven middels de hypotheekrente-aftrek, anderzijds door suggestief gezeur over scheefwonen en ‘liberalisering van de woningmarkt’ dat ten doel heeft de huurprijzen op een zelfde manier op te schroeven, waardoor een zelfde stimulerend effect op de economie zou kunnen ontstaan als ooit de huizenbubbel deed. Met flankerend beleid kan dan de individuele huurder budgetneutraal meer huur opbrengen, waardoor er per saldo meer geld in de economie wordt gepompt en de cijfers van het CBS er weer beter uit gaan zien. Daar gaat het ten slotte allemaal om. Hoe imbeciel dat is, daar heb ik elders al eens over geschreven, maar iedereen trapt er nog steeds in.

Het outsourcen van produktie naar lage lonenlanden gaat ook niet erg goed meer, omdat de lage lonenlanden een beetje opraken. Die verdomde Polen gaan ook maar steeds meer verdienen, net als de Bulgaren en Roemenen. China is nog wel goedkoop, maar daar gaat het ook te goed, net als in India, Brazilië en sommige stukken Afrika. Andere landen zijn politiek te instabiel om er een bedrijf te kunnen opzetten en, ook heel lastig, je bent gewoon je leven niet zeker in plaatsen zoals Somalië, Irak of Afghanistan. Piraten, geloofsfanaten en wapenhandelaars, allemaal leuke lui, maar sokken en t-shirts maken, dat doen ze niet voor je. Wel handig voor grondstoffen, dat dan weer wel.

De informatietechnologie leverde enerzijds een stijging van de produktiviteit op, doordat mensen in minder tijd meer konden doen van achter hun burootje. De internetbubbel was -anderzijds- dan weer wat minder, maar een tijdelijk fenomeen, een echte tulpenrally, zullen we maar zeggen; een nieuwe, ondoorzichtige markt, waarin startups met een goed verhaal kapitaal van risicobeleggers konden aantrekken en verspillen. De stofwolken zijn inmiddels wat opgetrokken en internet is een wat stabieler fenomeen geworden dat zijn eigen dynamiek heeft ontwikkeld en nog lang niet is uitgekristalliseerd. Er zijn enorme bedragen verdiend, door microsoft en google natuurlijk, maar bijvoorbeeld ook met de verkoop van successen als marktplaats en youtube; er worden nog steeds enorme bedragen verloren op nieuws en entertainment en hoe de verdienmodellen voor gezonde internetbedrijven er uit zullen zien hangt nog helemaal in de lucht. Google van vandaag is de newconomy van morgen, het kan nog steeds. Bestaat Facebook nog over tien jaar? Ik betwijfel het. We zullen zien. Het enkele feit dat internet nog niet af is en, zowel als economisch model of als cultureel verschijnsel, zowel als intellectueel medium of als sociaal netwerk nog alle kanten op kan, betekent dat er geld te investeren en te verdienen is. Het kan ook ingeperkt worden trouwens, een mogelijkheid die veel mensen niet heel waarschijnlijk voorkomt, maar ook dat kan. In het kader van een ‘war on terror’ of een andere niet bestaande dreiging kan een heleboel, dat is nu al gebleken.

De moderne communicatiemiddelen hebben in grote mate bijgedragen aan de verspreiding van informatie, het verkorten van logistieke lijnen en de efficiency van produktie, om maar een paar dingen te noemen. Mede daardoor is de wereld in toenemende mate geïntegreerd tot een ‘global village’. Mensen blijken ook nog eens over de hele wereld een samenhangend en grotendeels identiek behoeftenpatroon te hebben. Een huis, redelijke voeding, een auto voor de deur, computer, tv en internet, ipod en ipad en de rest (sexualiteit, sociaal bewegingspatroon) wordt ingevuld naar de zeden van plaats en mode. Niks bijzonders, maar wel behoorlijk belastend voor voedingsindustrie en, laten we zeggen, de planeet, want er zijn zo idioot veel mensen. Gelukkig neemt de biodiversiteit in razend tempo verder af, dus is er meer ruimte voor ons. Slecht nieuws voor de dolfijnen, die nu al twee eeuwen aan het afzien zijn daar onder water en die elkaar ook niet meer geloven als ze steeds weer zeggen: echt jongens, die mens, die verdwijnt wel, dat kan nooit lang meer duren. “Nou eh mam, dat zei je vijftig jaar geleden ook.” You know… als ik een walvis was, kreeg ik ook de neiging het strand maar op te zwemmen en er een eind aan te maken. Daar is trouwens een goeie film over gemaakt, in Nieuw-Zeeland, die heet Whale Rider.

Ik ga, hier op het eind van deze post, een lang verhaal kort maken. Uit het bovenstaande overzicht zou je kunnen concluderen dat het wel faliekant moet mislopen met de economie de komende tijd. Als we doorgaan op de ingeslagen weg lijkt mij dat onontkoombaar. Er zijn evenwel voldoende andere opties. Op het terrein van energie-opwekking en energie-onafhankelijkheid zijn nog zoveel ontdekkingen te doen, er is zoveel te investeren. Stephen Hawking zei het nog in Time, in antwoord op de vraag welke ontwikkeling hij het liefste grootschalig geïmplementeerd zou zien: kernfusie, een onuitputtelijke bron van energie. Dat is maar een voorbeeld, ook andere duurzame energiebronnen zijn vaak nog onderontwikkeld of gewoon genegeerd. Veel te halen dus. Een ander terrein is dat van de voedingsindustrie. Dat kan anders, efficiënter en toch diervriendelijker. De industrie werkt daar maar mondjesmaat aan en heeft meer prikkeling van de consument nodig.

Als er meer auto’s komen, wordt de noodzaak om die duurzaam te produceren en meer aspecten van duurzaamheid in de ontwerpen te brengen steeds groter. Waar blijft verdorie dat handige electrische autootje voor thuis- en forensengebruik? De automotive industrie zet al twintig jaar in op groter en krachtiger, een trend die helemaal tegen de eisen van de tijd ingaat en die de industrie aan de rand van de afgrond heeft gebracht. Pure stompzinnigheid en korte termijndenken.

Op wat grotere schaal valt te denken aan algemene economische trends. Volgens de marxistische historicus Eric Hobsbawn was de bloeiperiode van 1945 tot 1973 te danken aan een New Deal-achtige samenwerking tussen private en publieke belangen; hij noemde dat de mixed economy. Het neoliberale model dat volgde op die mixed economy, de Thatcheriaanse en Reaganeske dereguleringsgolf, die dus eigenlijk een reactie was op die meer gestuurde economie en die een extra impuls kreeg door de instorting van de Sovjet-Unie in 1991, bracht tijdelijke welvaart en een herverdeling van middelen. Die herverdeling was dan wel precies tegenovergesteld aan wat er de dertig jaar daarvoor gebeurde, het geld verdween weer van de middenklasse naar een nieuwe kaste van rijken.

In feite kwam in 2008 een einde aan dat neoliberale model; het had zijn werkingskracht verloren, het werkte gewoon niet meer, zoals ik boven heb aangegeven. De aantrekkingskracht van het model, de mogelijkheid om zonder inspanning schathemelrijk te worden en alles te kunnen kopen wat je maar hebben wil, plus de mogelijkheid om door deelneming middels aandelen ook een stuk van de taart te kunnen krijgen is echter allerminst verminderd. Terzijde zij hier opgemerkt dat die nieuwe kaste door middel van kadootjes aan geselecteerde individuen op uitstekende wijze propaganda voor haar model maakt (Sarah Palin, Tea Party, Geert Wilders), waardoor het op dit moment zelfs lijkt alsof de instorting van 2008 helemaal niet aan de economische mode te wijten was, wat toch serieus het geval was.

In dit opzicht is er een zekere strijd gaande tussen het Angelsaksische en het Rijnlandmodel van ondernemen: hoeveel belang en hoeveel macht geef je de aandeelhouders? kies je voor het Angelsaksische model met veel macht bij de aandeelhouder, dan zit je daardoor vast aan verplicht jaarlijks stijgende dividenden, het ontginnen van nieuwe markten, marktaandeel- en marketingstrategieën, een voortdurende produktiviteitsrace en kostenbeheersing en uiteindelijk de steeds terugkerende anorexiastrategie waarmee je een bestaand bedrijf door kostenbeheersing langzaam ontmantelt totdat er geen werknemers en produktie meer over zijn, waarna het bedrijf failliet gaat en er elders een nieuw bedrijf kan worden opgezet, waar vaak dezelfde werknemers, tegen natuurlijk een lager salaris, weer aan de slag kunnen. Dat werkt goed voor de aandeelhouders, maar slecht voor de werknemers en overigens een tijdje later ook weer voor de aandeelhouder, omdat het nu eenmaal een eindig model is. Daar kwamen we in 2008 achter, dat is dus al empirisch bevestigd, er is niet meer tegen te argumenteren.

Het Rijnlandmodel biedt wat meer uitzicht op lange termijndenken. Hierbij ligt de nadruk niet zozeer op het rendement op de korte termijn, maar op de continuïteit van de onderneming. In een nog wat groter verband zou een mens best willen dat er nu eens een redelijke afweging gemaakt werd tussen wat nu een overheidstaak is en wat niet. Dan kun je ook in redelijkheid beslissen wat tot de markt hoort en wat door de overheid geregeld wordt. Natuurlijk staan zulke dingen niet eeuwigdurend vast, maar dat geldt ook voor het tegendeel: alles aan de markt overlaten is ook een keuze.

Op de noot dat alles kan veranderen wil ik eindigen. In een democratie worden de marges van de veranderingen aangegeven door de kiezer. Voor Nederland heeft dat, in ieder geval voor de komende vier jaar, niets opgeleverd behalve stagnatie, misinvesteringen en de promotie van rancune en egoïsme. De oude economie kan rekenen op steun terwijl nieuwe moderne investeringen worden ontraden en onttakeld. Het beleid richt zich op niet bestaande problemen van integratie, terrorisme en islamisering terwijl alle belangrijke dossiers, zoals bijvoorbeeld de hypotheekrenteaftrek, de toekomst van onze defensie, onderwijs, maatschappelijke samenwerking op cultureel gebied, de hervorming van de arbeidsmarkt en de boven geschetste verdeling tussen publiek en privaat terrein blijven liggen of niet eens op tafel komen. Jammer, jammer. Maar ja, de kiezer bepaalt en zo hoort het ook.

This entry was posted in Economie. Bookmark the permalink.