De vreugden van de mijnbouw

Vorige week bereikte ons het bericht van enorme ertsenvoorraden in Afghanistan. Het land mag zich verblijden met de aanwezigheid van grote hoeveelheden koper, ijzer en zeldzame metalen zoals lithium in de bodem. Vooral de zeldzame metalen zijn van belang voor onmisbare Westerse benodigdheden als telefoons en laptop computers. De totale waarde van de ertsen zou zo’n duizend miljard dollar bedragen, een mooi afgerond biljoen. Er zijn dagen…


Omslag van een folder over mineralen in Afghanistan uit 2006. Staat alles al in, kun je gewoon downloaden

Hoewel het bericht als een nieuwtje werd gebracht, kan ik me niet voorstellen dat het voor ingewijden ook zo is. Op Wikipedia staat al sinds 2008 een artikel over ertsenvoorraden in Afghanistan. Er wordt daar geschreven over een rapport uit 2007 van de Amerikaanse overheid en nieuwe Afghaanse mijnbouwwetten die uit 2006 dateren. Zoals de New York Times het meldde, zijn de ertsvoorraden al in de jaren tachtig door Sovjet-experts in kaart gebracht. Die gegevens lagen vervolgens blijkbaar vrijelijk ter inzage in de bibliotheek in Kabul en even afgezien daarvan, die geheime diensten zullen toch wel IETS doen aan het verzamelen van relevante informatie? Ze waren best wel druk in Afghanistan in de jaren tachtig, vraag het Bin Laden maar eens. Daarbij was het dan weer merkwaardig dat het bericht naar buiten kwam via het Pentagon, alsof ze daar zitten te werken in dienst van grote corporaties. Wat zeg ik nu toch weer?


Nikkelmijn op Nieuw-Caledonië, een Frans Zuidzee-eiland

Grote mijnbouwbedrijven zijn bekend om de invloed die ze uitoefenen op landen waar wat te halen valt. Ik mag u even herinneren aan mijn blogpost over het mooie eiland Bougainville, waar de inheemse bevolking na een strijd van een jaar of tien met huurlingen en het Australische en Indonesische leger wist te bewerkstelligen dat ze de eenvoudige zeggenschap over hun eigen grondgebied terug kregen. Er stond pas geleden een mooie serie in Trouw, ‘bloedmobieltjes’, die had betrekking op de mineralenmijnen in Congo. Er rust copyright op de foto’s in de serie, dat zal ik respecteren. Het verhaal is echter duidelijk: vrouwen en kinderen delven ertsen in de mijn op basis van contractslavernij. Corrupte ambtenaren, militairen en grondbezitters handhaven de situatie met inzet van het nodige geweld.
Nicholas Kristof, vaste columnist van de New York Times, schrijft over de oorlog in Congo in een artikel dat een rechtstreeks verband legt tussen enerzijds de aanwezigheid van mineralen en de oorlog, en anderzijds de Westerse behoefte aan mineralen en het voortduren van de situatie: “Eastern Congo is the site of the most lethal conflict since World War II, and is widely described as the rape capital of the world. The war had claimed 5.4 million deaths as of April 2007, with the toll mounting by 45,000 a month, according to a study by the International Rescue Committee.”
[…] “I’ve never reported on a war more barbaric than Congo’s, and it haunts me. In Congo, I’ve seen women who have been mutilated, children who have been forced to eat their parents’ flesh, girls who have been subjected to rapes that destroyed their insides. Warlords finance their predations in part through the sale of mineral ore containing tantalum, tungsten, tin and gold. For example, tantalum from Congo is used to make electrical capacitors that go into phones, computers and gaming devices.”


Grondstoffen voor onze gadgets: een mijn in Congo

Het is moeilijk om schuld toe te wijzen aan een bedrijf. Het is geen persoon die een misdaad kan plegen en die je kunt aanhouden en opsluiten. Als een bedrijf een stel huurlingen inzet om een situatie te beveiligen, kiezen de huurlingen de methode, niet het bedrijf.
Het is wel bedenkelijk hoever bedrijven willen gaan om goedkoop te produceren. Ik weet dat het vermoeiend is om overal de Tweede Wereldoorlog bij te slepen, maar IG Farben, het grote Duitse chemische kartel, sloot in februari 1941 een contract met de SS voor de levering van arbeiders aan hun fabriek voor kunstmatig rubber (Buna) in Auschwitz. IG Farben betaalde aan de SS vier mark per dag voor een geschoolde arbeider, drie mark voor een ongeschoolde arbeider en één mark vijftig voor een kind. De rest van de arbeidsvoorwaarden werd overgelaten aan de SS. Die interpreteerde ze als volgt: je ruimt de Joden op in Duitsland, stuurt ze naar Polen, elimineert een deel meteen (ja, je bent toch bezig met de Endlösung), degenen die kunnen werken laat je werken, maar je laat ze ondertussen gewoon creperen door honger en ziektes en de dooien vervang je door nog levende verse mensen.


Zo ging dat in Nazi-Duitsland. Een ‘Vereinbarung (aanwijzing) in Briefform’ dat het concentratiekamp arbeidskrachten aan de IG beschikbaar stelt voor een bepaalde prijs. Ondertekend met ‘Heil Hitler’ door een van de directeuren, Dr. Dürrfeld.

In dit speciale geval is het trouwens de vraag of IG Farben het deed om de kosten te drukken. Het was eerder zo dat er een inspanning van ze gevraagd werd voor de oorlog. De winst werd door het regime bepaald, arbeidskosten speelden in dit geval dus niet eens een rol. Omdat het nu geen oorlog is in dezelfde zin als in 1940-45 en de grote corporaties niet werken onder dictatoriale druk, ligt er natuurlijk ook een grotere verantwoordelijkheid voor de arbeidsomstandigheden op ze.

Er verscheen afgelopen weekend een filmpje op youtube dat aandacht vraagt voor de omstandigheden in Congo. Het roept de mensen op om electronica-producenten te emailen met de boodschap dat ze hun producten ‘conflict-vrij’ moeten maken. Ze moeten dus geen mineralen uit Congo meer kopen. Meer informatie op raisehopeforcongo.org.

This entry was posted in Economie, Politiek. Bookmark the permalink.