Eiland van de week – Vlieland. Auto’s verboden en geen brom in de grond

Een dikke veertig jaar geleden werd ik geboren. Het moest een keer gebeuren, de wereld wachtte er al een tijdje op. Of ik zat ergens buiten de tijd en wachtte tot ik mocht verschijnen, ik ben vergeten hoe het precies zat. Het was in Harlingen. Mijn vader, zo hoort dat daar, was een visser. Mijn moeder was de dochter van een visser, ‘Ouwe Pier’, naar wie ik nog vernoemd ben (dat is de P in PJ Cats). De eerste zes jaar van mijn leven woonde ik daar in Harlingen, in een klein wijkje tussen de Zuiderhaven en de overslag in.


Het huis van mijn grootouders aan moederskant (opa en ‘opoe’, zoals we ze noemden) aan de Zuiderhaven in Harlingen. Eind jaren zeventig uit de familie verkocht, helaas. Door het straatje er achter kom je op de ‘Kleine Bredeplaats’, waar mijn opa zijn werkplaatsje had.

Nou was Nederland in 1964 nog niet zo heel modern, maar in Friesland was de toestand denk ik nog wel wat ouderwetser. Zo kan ik me herinneren dat er op een bepaald moment een douche in ons huis geïnstalleerd werd. Dat was wel makkelijk met haren wassen, dat is anders een heel gedoe boven de gootsteen. Een wc hadden we al wel, hoewel we ook nog wel kennissen hadden waar je in de tuin op het ‘huuske’ moest gaan, zo’n houten ding met een hartje in de deur en een plank met een gat erin. Wie zo’n plee eenmaal geroken heeft, vergeet het nooit meer. Een andere geur die ik niet vergeet, maar veel prettiger, hoort bij de werkplaats van mijn opa, waar hij zijn netten boette. Diezelfde geur rook ik later nog wel eens op het industrieterrein in Urk, als ik met de vrachtwagen goederen bracht bij een groothandel voor de vissers daar. Teer en touw. De kachels in ons huis brandden op steenkool, daarvoor hadden we een kolenhok en een kolenkit. Het moet in 1968 zijn geweest dat er een televisie in ons huis kwam, want het eerste dat ik op een televisie zag, waren de Beatles die ‘Obladi oblada’ zongen.


Westerstraat 41 in Harlingen. De dakkapel zat er nog niet op in 1964.

Ik ging naar een kleuterschool die op een of andere manier katholiek moet zijn geweest, want er waren zustertjes in nonnenkostuum. Ze heetten Paulien en Frederiek, vertelde mijn moeder me ooit. Harlingen bestond in die tijd nog voor het meest uit zijn oude kern, de jaren 70 en latere woonwijken waren er nog niet tegenaan geplakt. Er liep een spoorlijntje uit Leeuwarden naar het oude station, die in de zomermaanden doorreed naar het havenstation, voor de toeristen die naar de Waddeneilanden Terschelling en Vlieland gingen.


De trein naar Harlingen staat klaar op station Leeuwarden, 1969

En in de zomermaanden gingen we zelf naar Vlieland. In tegenstelling tot nu voer er toen nog een echte boot naar de eilanden, niet een veredelde autobus of opgeblazen speedboot. Die boten waren geel met zwart en maakten geweldige herrie. Door het motorgeweld trilde de boot in al zijn voegen en als je rondliep was er ergens een deur waarachter je een machine kon zien draaien. Ik zie nog zo voor me hoe de klepstelen op en neer gaan langs het blok. Aan de ene kant kan ik me niet voorstellen dat dat de echte scheepsmotor was, misschien was het een aggregaat voor de stroom, aan de andere kant zou ik het niet weten. Tot mijn verbazing zag ik later, toen ik op de vrachtwagen het hele land door reed, onder aan de Zeelandbrug bij Zierikzee, zo’n ouwe boot van Doeksen liggen, de ‘Friesland’. Ik herkende hem onmiddellijk en vroeg me af wat het ding daar deed. Inmiddels vaart die boot als museumboot op de lijn Enkhuizen-Medemblik. De boot die op Vlieland voer, de ‘Oost-Vlieland’ werd verkocht aan Liberia en zonk daar twee jaar geleden. (de opvolger van de ‘Oost-Vlieland’, de ‘Midsland’, werd verkocht aan een Keniase maatschappij die het naar Zanzibar op en neer liet varen. Het schip brandde 13 maart 2010 uit en kon worden afgeschreven)



Boven de ‘Friesland’, onder de ‘Oost-Vlieland’, gekiekt terwijl hij de haven van Vlieland uitvaart. Ik ben het niet, op die foto.

Mijn vader was een rasechte kampeerder, zo eentje met houten haringen, een rubber hamer, een primus om op te koken en strikte regels in de zin van ‘nooit het tentdoek aan de binnenkant aanraken, want dan gaat het lekken’. Zijn enthousiasme is op mij niet overgeslagen, ik beloofde mezelf al heel jong mijn vakanties altijd in hotels voorzien van alle luxe door te brengen. Gedreven door zijn kampeerregels verbleven wij op het kampeerpaspoortterrein ‘de Lange Paal’. Kampeerpaspoort? Dat was een kaart die je kreeg als je met goed gevolg het kampeerexamen van de ANWB had afgelegd. Met dat paspoort mocht je naar terreinen die voor anderen gesloten bleven. Een select gezelschap. Die Pa toch.


Het kampeerterrein de Lange Paal. Beneden in de punt, langs de bosrand, dat was ons plekje.

Camping de Lange Paal ligt omzoomd door bomen aan de kant van de waddenzee. Daar is niet veel te doen. Er loopt een schitterend schelpenpad van de camping naar de Noordzeekust, waar het strand niet onderdoet voor de mooiste Europese zeekusten. Als je een eindje naar het westen of oosten liep, was je al snel tussen de mensen uit. We zetten daar ons windzeiltje op en verbleven de hele dag aan de waterkant. Als je de duinen in liep, kwam je in een andere wereld van helmgras, duinpannetjes en een heel apart soort zomerhitte die alleen langs de zeekant voorkomt, als je uit de wind bent in een omgeving waar het toch eigenlijk heel hard waait. De geluiden van wind en branding maken de idylle compleet.


Het ‘Pad van Dertig’ dat van de Lange Paal naar het Noordzeestrand loopt

Mijn vader was behalve kampeerder en ex-padvinder ook nog een verwoed 8 mm filmer. Hij had een handcamera, een opwindbare Agfa met een grote sleutel aan de zijkant en opklapzoekertjes. Daarmee legde hij de hoogtepunten van onze vakanties vast. Zijn hoogtepunten komen niet altijd overeen met mijn herinneringen. Soms wel, zoals bij de zomerspelen op de camping die hij ooit vastlegde, waar ik de eerste prijs won. Maar niet bij hele belangrijke dingen, zoals de avondwandeling die we steevast iedere vakantie één keer maakten, waarbij we in het donker (er was nog geen zomertijd, het was in de zomer eerder donker dan nu) door het bos liepen, wat tamelijk griezelig was op een goede manier. En de eendenkooien, die op mij een speciale indruk maakten, hoewel ik niet precies begrijp waarom.



Boven de Oude Eendenkooi en onder de Nieuwe

Het meest indrukwekkende aan Vlieland is de stilte. Er mogen geen auto’s op het eiland komen, dat scheelt al een hoop. Maar er staan ook geen grote machines die de bodem aan het trillen brengen. Die machines, pompen, compressoren, turbines en weet ik wat voor apparaten die op het vasteland volcontinu draaien produceren allemaal bij elkaar een laagfrequent geluid. De meeste mensen horen dat doodeenvoudig niet. Ik ben één van die ongelukkigen die het wel horen, en nogal goed ook. Overal waar ik ben, word ik lastig gevallen door een zoemtoon in de grond, die gewoon altijd aan staat. Altijd. Behalve in de nacht van eerste op tweede kerstdag, dan is het op een of andere manier stil. Zo stil is het op Vlieland altijd. De mensen slapen daar vast beter dan ik.

This entry was posted in Eilanden. Bookmark the permalink.